Saskia Peerdeman

Saskia is neurochirurg, hoogleraar, directeur van het instituut onderwijs en opleiden AMC en vice-decaan van de faculteit der geneeskunde aan de Universiteit van Amsterdam. Zij werd geïnterviewd door Johanna da Silva Voorham.

 

Beknopte biografie

1979-1986: Student geneeskunde Universiteit Utrecht

1986-1994: Opleiding tot neurochirurg in het VUmc

1994 – heden: Neurochirurg in het Amsterdam UMC

2004-heden: Neurochirurgisch consulent aan het academisch ziekenhuis Paramaribo (AZP)

2005-2020: Opleider neurochirurgie VUmc en voorzitter concilium neurochirurgicum didacticum

2010-2017: Voorzitter centrale opleidingscommissie (COC) en regionale opleidingscommissie ( rCOC) 

2015-heden: Hoogleraar Professional Development aan de VU & voorzitter en ontwikkelaar van het TeAMS opleidingsprogramma

2016-2018: Interim afdelingshoofd orthopedie

2018-heden: Vice-decaan faculteit der Geneeskunde der Universiteit van Amsterdam & directeur instituut onderwijs en opleiden AMC

2019 – heden: Hoogleraar transformative learning in health care UvA

 

Quote: “Go for it” & “Het draait niet om de bestemming, maar om de reis”

Leeftijd: 59

Hobby’s: Reizen met mijn man, wieden en taarten bakken

Kinderen: 2

Wat zijn uw goede- en slechte eigenschappen: Goede eigenschap: "het glas is altijd half vol" en slechte eigenschap: ongeduldig

Wat is uw talent: Verbinden 

Luistertip: Tswings, jazz en blues

Favoriete kledingstijl: Spijkerbroek, blouse, jasje, pumps

Wie inspireert u: De nieuwe generatie

Huidige Functie: Neurochirurg en vice-decaan faculteit geneeskunde UvA/ directeur IOO-AMC

Nevenfuncties:

  • Lid CGS
  • Lid wetenschappelijke adviesraad NWZ
  • Lid wetenschappelijke adviesraad Daan Theeuwes Centrum

 

Johanna sprak Saskia in haar kantoor in het Amsterdam UMC, locatie AMC, waar wij een inspirerend gesprek hebben gehad over haar indrukwekkende loopbaan (Carrière), hoe zij haar persoonlijke leven heeft gecombineerd met deze loopbaan en hoe zij aankijkt tegen de moeilijkheden waar vrouwelijke artsen mee te maken kunnen krijgen. 

 

CARRIÈRE
Welke beslissing was voor uw carrière doorslaggevend?

Ik had niet van huis uit de ambitie om dokter te worden. Terugdenkend aan mijn tijd op het gymnasium was ik heel goed in de bètavakken en twijfelde ik over wat ik moest doen. Ik heb medicijnen opgegeven als eerste keuze en werd vervolgens ingeloot. Het was dus een combinatie van fascinatie en toeval. Pas tijdens de coschappen ben ik gaan voelen dat de geneeskunde het vak was voor mij. Tijdens de coschappen vond ik heel veel leuk, maar ook veel niet leuk. Werken met mijn handen leek mij wel wat, dus een chirurgische discipline, en de hersenen, neurologie en psychiatrie vond ik fascinerend. Tijdens het einde van de masterfase ging ik met een patiënt van de neurologie mee naar de operatiekamer. Dit was mijn eerste contact met de neurochirurgie en het was toen liefde op het eerste gezicht. Ik dacht: dit vind ik gaaf, ik word neurochirurg. Dit was makkelijker gedacht dan gedaan natuurlijk. 

 

Welke bezigheden had u naast de studie?

Ik hield van feesten, had een bijbaantje, enquêteerde en heb veel gereisd.

 

Hoe kwam u in opleiding tot neurochirurg?

Op dat moment waren er drie opleidingsplekken per jaar in Nederland. Mijn plan was om alle opleidingsplekken een brief te sturen. Van sommige kreeg ik een antwoord, en van anderen niet. Daarna ging er een tweede brief overheen en werd ik uitgenodigd voor gesprekken aan de VU waarna ik ANIOS-neurochirurgie werd en uiteindelijk in opleiding kwam. 

 

Tijdens de lange pauzes tussen de coschappen heb ik veel gereisd en buitenlandse extra-curriculaire stages gedaan in o.a. Nigeria en Jordanië. In die tijd (1979-1986) was dit erg ongebruikelijk en dit maakte dat mijn CV er uitsprong. Het was natuurlijk ook heel hard werken, maar in de praktijk vond ik het vak zo gaaf dat het niet eens keihard werken was. Achteraf gezien vind ik het een beetje belachelijk dat we zo veel werkten, maar toen was dat redelijk gebruikelijk en ik vond het leuk dus het was voor mij geen opgave.

 

Ik had zelf helemaal geen carrièrestress. Mijn keuze voor geneeskunde was meer een ‘eens kijken of ik het leuk vind’ en bij de neurochirurgie dacht ik ‘dit wil ik en ik zie het wel’. Ik had niet echt een plan B. Plan A was neurochirurg in Nederland en Plan B neurochirurg in Duitsland. Maar als dat niet was gelukt was ik waarschijnlijk een ander soort chirurg geworden. Ik heb nooit een bewust carrièrepad voor mezelf uitgestippeld. Ik krijg op een gegeven moment een bepaalde verliefdheid, inspiratie of energie van iets en dan komt iets op mijn pad en denk ik ‘ja leuk!’ en ga ik ervoor. Ik ben niet bang voor het onbekende, dat scheelt denk ik ook wel. Dan ben ik maar de eerste 'so what?'. Ik wilde ook niet per se hoogleraar worden, ik dacht op gegeven moment: ik moet die titel nu hebben want dan kan ik ik verder in de academische wereld.

 

Wat is uw advies aan dokters over het combineren van nevenfuncties, bijvoorbeeld in het onderwijs en onderzoek, met een specialisatie?
Ik werk meer dan de gemiddelde Nederlander, maar je moet het echt zelf bekijken. Ik kom uit een ander tijdperk en het huidige tijdperk hecht waarde aan een heleboel dingen. Het is belangrijk om daar een balans in te vinden. Ik heb zelf een jaar of tien bijna geen sociaal leven gehad. Dat is een persoonlijke keuze geweest, maar de vraag is dan of je als individu bereid bent om die keuze te nemen? Is je sociale leven belangrijk, dan heb je minder tijd voor andere dingen. Maak voor jezelf de balans op over wat je wilt doen en wat voor jou belangrijk is. Als je een 'burning ambition' hebt betekent dit dat je andere dingen niet kunt. Je kunt niet alles tegelijk en dat besef moet volgens mij neerdalen op jonge mensen in Nederland momenteel. Je zult waarschijnlijk werken tot je 70ste, dus gun jezelf de tijd om te kijken wat je leuk vindt en geef jezelf de tijd om te ontwikkelen. Je hoeft niet op je 27ste al hoogleraar te zijn.

 

Wat was het meest bijzondere moment tijdens uw carrière?
Als neurochirurg doe je veel complexe ingrepen. Ik heb ook een tijd in het buitenland gewerkt onder primitieve omstandigheden. Ik heb daar een keer een hele ingewikkelde operatie uitgevoerd die technisch heel goed was gelukt en waar ik erg trots op was. Echter, de volgende dag bleek dat de patiënt bijna dood in bed lag omdat ik ervan uit was gegaan dat het personeel op die IC dezelfde kwalificaties had als op een IC in Nederland. Toen is het besef gekomen dat je in de gezondheidszorg maar een onderdeel bent van een schakel. Je vormt met elkaar een hele keten en het is belangrijk om te weten wat ieders expertise is om daar samen stappen in te zetten. De zorg is maar zo goed als de zwakste schakel in het team.


Wat is uw ambitie voor in de toekomst?

Ik wil heel graag mijn kleinkind in Engeland zien. Daarnaast vind ik wat ik nu al doe erg leuk. Ik heb de zorg in heel veel facetten meegemaakt en wat ik merk is dat er op veel plekken dingen schuren of bijgestuurd kunnen worden. Ook zie ik dat de nieuwe generatie op een andere manier naar de wereld kijkt. Ik zit in een positie waarin ik ruimte kan maken of dingen kan faciliteren om de innovatie, kracht en energie van de nieuwe generatie ruimte te geven en misschien zelfs richting te mogen geven. Dat vind ik zo leuk aan de positie van vice-decaan. Ik vind kleinschalig onderwijs geven ontzettend leuk, maar als bestuurder kan ik dit voor heel veel meer mensen faciliteren. 


Hoe ziet een week in uw leven eruit?

Maandag opereer ik in het Amsterdam UMC, locatie VUmc, en dinsdag-donderdag heb ik decanale zaken. De invulling daarvan is afhankelijk van wat er dan speelt: faculteit geneeskunde, overkoepelende zaken, vervolgopleidingen of juist bestuurlijke dingen zoals de UvA, alliantie of fusie. Daarnaast begeleid ik die dagen ook studenten van mentorgroepjes en een aantal PhD-studenten die onderzoek doen op verschillende domeinen. Vrijdag draai ik poli waar ik mijn pre-op patiënten voor maandag zie en houd ik mij soms bezig met opleiden. Daarnaast draai ik soms nog diensten. Ik werk dus wel wat meer dan de gemiddelde Nederlander, maar zoals het Engelse gezegde gaat: “If you like your job you’ll never have to work”.

 

LEVEN NAAST HET ARTS ZIJN

Welke moeilijkheden bent u tegengekomen in het combineren van het moederschap en carrière alsmede uw werk- privébalans?

Ik was 28 toen ik mijn eerste kind kreeg. Ik heb niet gewacht met het krijgen van kinderen omdat ik dacht dat het toch nooit goed uit zou komen. Ik was de eerste vrouw in Nederland die kinderen kreeg tijdens de opleiding tot neurochirurg. Nu is dat veel normaler, maar toen was het nog erg wennen voor het neurochirurgisch establishment. Het heeft laten zien dat je het wel degelijk kunt combineren. Je kunt zeggen dat het belangrijk is geweest dat ik dit tijdens mijn opleiding heb gedaan voor het algemeen belang, terwijl het gewoon mijn eigen leven leiden was. Het was ongebruikelijk, maar ik dacht enkel: dus? Als het problemen zou opleveren zou ik dat dan wel oplossen. Het is een keer deels ter sprake gekomen tijdens mijn tweede sollicitatiegesprek voor ANIOS. Toen is mij gevraagd waarom ik als vrouw in hemelsnaam neurochirurg wilde worden. Mijn antwoord was toen ’omdat ik het leuk vind’, waarop hij zei ‘dat is het enige juiste antwoord’. 

 

Ik heb genoeg negatieve opmerkingen gekregen en ben zelfs twee keer bijna uit de opleiding gezet (ik heb twee kinderen gekregen tijdens de opleiding) omdat men twijfelde of ik in staat was een opleiding te doen naast het moederschap. Er was verder geen twijfel aan mijn uren of capaciteiten. Ik zei toen: ik zal wel laten zien dat het kan. Dat is ook goed gekomen. Ik heb wel het voordeel gehad dat beide zwangerschappen zonder problemen verliepen, dat mijn kinderen gezond waren en dat het thuis zo georganiseerd kon worden dat het voor mij mogelijk was om de uren te maken die moesten. Er is altijd een spanningsveld geweest tussen mijn ambitie en het moederschap en in die periode moet je voor jezelf proberen uit te vinden welke elementen wanneer belangrijk zijn en hoeveel tijd je hieraan wilt besteden. Dat is een zoektocht voor een ieder individueel. Als je fulltime wilt blijven werken als moeder moet dat ook mogelijk zijn. Ik heb dat vrijwel altijd gedaan. Ik ben één jaar parttime (0,9) gaan werken toen mijn kinderen naar de middelbare school gingen. Ik heb altijd oppassen gehad maar dat jaar hadden de kinderen persoonlijke steun nodig tijdens de overgang van lagere naar middelbare school. Toen ze eraan gewend waren vonden ze ook dat ik maar snel weer moest gaan werken omdat ik mij ineens veel te veel ging bemoeien met dingen.

 

Ik ben gescheiden toen mijn kinderen zeven en acht waren en heb hen dus vanaf toen alleen opgevoed. Toen mijn ouders terugkwamen uit het buitenland hebben zij mij ook veel geholpen. Ik heb mij nooit schuldig gevoeld over de inzet van een oppas. Ik ben namelijk in het buitenland opgevoed en in vele culturen ondergedompeld geweest waar het heel normaal was dat moeders werkten en dat de kinderen trots waren op hun werkende moeder. In Nederland is dat gevoel er veel minder en heerst het idee dat je een slechte moeder bent als je niet thuis zit met een kopje thee. Ik vind het naar dat er een collectief schuldgevoel aangepraat wordt waardoor het minder makkelijk is om een ambitie die een heleboel vrouwen voelen te verwezenlijken. Dat heb ik dus niet en dat scheelt wel.

 

Wie waren uw rolmodellen toen u geneeskunde studeerde?

Niemand binnen de geneeskunde. Mijn rolmodel was mijn oma. Voor haar tijd (1912) was zij vrij bijzonder. Zo reed zij bijvoorbeeld rond in een van de eerste auto’s (wat toen eigenlijk niet mocht als vrouw) en wilde zij de fabriek van haar vader overnemen. Zij was dus iemand die altijd in staat was om stappen te zetten in het onbekende en altijd uitwegen zag om er iets moois van te maken, wat de situatie ook was. Dat is een levenshouding die ze voorgeleefd heeft. Mijn moeder is altijd een stabiele factor geweest die mij in alles ondersteund heeft en heeft aangemoedigd om neurochirurg te worden en mijn eigen pad te kiezen.

 

Wat is uw tip voor jonge dokters?

Ieder mens is anders en wat denk ik heel belangrijk is, is om voor jezelf uit te zoeken waar je blij van wordt. Dat hoeft helemaal niet een grote carrière te zijn zoals die ik doorlopen heb, maar het kan ook betekenen dat je binnen je eigen context of vakgebied dingen doet waarvan je denkt dat dit toegevoegde waarde heeft. Binnen wat je leuk vindt de toegevoegde waarde vinden is denk ik het aller-, allerbelangrijkste of daar nou een carrière-stempeltje op zit of niet. Daar moeten we ook vanaf. Probeer te zoeken naar waar je blij van wordt en wat voor jou de toegevoegde waarde geeft.

 

Ik vind de druk om jong te promoveren voor een opleidingsplek een heel vervelende ontwikkeling. We hebben ook menselijke mensen en menselijke dokters nodig, maar die worden volgens mij ondergewaardeerd. We hebben ook dokters nodig die het leuk vinden om op andere mensen kennis over te dragen. Het is belangrijk dat we waarde zien in dingen die niet met het een H-index of een titel te bestempelen zijn. Ik hoop dat ik dat aspect naar voren kan brengen zolang ik op plekken zit waar ik dat kan beïnvloeden. 

 

VROUW EN ARTS ZIJN
Zijn er volgens u verschillen te merken tussen mannen en vrouwen op de werkvloer?

Zeker. Ik ben natuurlijk in een mannenwereld gestart en binnen de neurochirurgie van Nederland was ik de vijfde vrouw en de eerste moeder. Op de internationale congressen was het ook echt dramatisch. Ik zat al vrij snel in allemaal boards (ik vind het gewoon leuk om te besturen) en daar kwamen de deelnemers van de vergaderingen naar mij toe met hun reisdeclaraties omdat zij dachten dat ik de secretaresse was. Dat is een jaar of tien zo gegaan, totdat men langzaam door had dat ook vrouwen neurochirurg konden zijn en in bestuurlijke posities konden komen (dit was eind jaren ‘90). We zijn nog steeds niet het vak waar de meeste vrouwen in zitten maar het begint wel normaal te worden. Wat we nu vervolgens merken is dat weinig vrouwen het vakgebied kiezen. We proberen daarom alle coassistenten welkom te heten en zo de mindset een beetje te veranderen.

 

Als we het dan op de situatie in Nederland betrekken is er een vraag waar ik regelmatig aan denk. We zijn heel veel ruimte gaan geven in de formele routes van bijvoorbeeld opleidingen, maar wat maakt nou dat er niet in die ruimte gestapt wordt? Dat weet ik niet en die belemmerende cultuur zou ongetwijfeld nog wel enigszins heersen, maar er zit ook iets anders wat een groot aantal vrouwen weerhoudt om stappen te zetten. Dit geldt voor lang niet alle vrouwen hoor, degene die de ruimte willen pakken, pakken hem, maar naar mijn mening zijn dat nog te weinig. Ongetwijfeld zijn er een paar hobbels op de weg, maar die hobbels zijn al veel lager dan toen ik begon. Ik vraag mij dan af wat er nog meer is dat maakt dat die hobbels niet genomen worden. Voor de ANIOS-sollicitaties zie je bijvoorbeeld dat nog steeds meer mannen dan vrouwen zich aanmelden. Ik probeer er oog voor te hebben maar wellicht zit ik ook nog in een oude generatie. Hoe kunnen we dan helpen om vrouwen over die hobbels te laten stappen? Ik heb het hier ook zeker vaak over met jonge artsen, vrouwelijk én mannelijk. Mijn reactie op die discussies is dan vaak: waar ben je bang voor? Neem die stap, en als het de verkeerde stap is dan neem je gewoon weer een stap terug. Ik merk vooral dat er een angst heerst voor het onbekende. De ‘wat als’ vraag, je kan hier heel erg in blijven hangen óf je kan gewoon een stap zetten. Als er dan iets gebeurt moet het opgelost worden en als het niet de goede keuze was dan zoeken we wel iets anders. Je moet gewoon stappen durven zetten en niet te veel stressen over je carrière en wanneer iets goed genoeg is. 

 

Heeft u tips voor hoe om te gaan met seksisme op de werkvloer?

Op de werkvloer zijn het vooral flauwe grappen, de vraag is dan hoe je het moet duiden. Ik heb geen nare ervaringen meegemaakt, maar wel extreem flauwe seksistische grappen. Je moet het terugspelen. Ik maakte er altijd een grapje van als ze dachten dat ik de secretaresse was: “Sorry, maar ik vrees dat ik de eerste ben van de nieuwe generatie; ik ben je collega”. Ze wisten dan vaak niet wat ze moesten zeggen. Er wordt en werd nou eenmaal in stereotyperingen gedacht, het gebeurt gewoon en als je er niet boos om wordt maar terugspeelt krijg je daarna vaak positieve reacties. Ik wilde nooit het gevecht aan gaan op dat soort terreinen. Ik was meer van het bewijzen dat het kan, het gewoon goed is en dat het leuk is. Het gewoon doen en er grapjes over maken zodat het wordt besproken, werkt al goed om verandering te brengen. Als je bijvoorbeeld in een zaal met dertig mannen zit en zegt “goh, ik ben de enige vrouw, zal ik dan maar de koffie rondbrengen?” is er meestal wel een man die dan aanhaakt en zegt “zullen we dat dan samendoen”. Ik ben slecht in confrontatieve gevechten. Er zijn mensen die dat uitstekend kunnen, maar ik heb een andere manier gevonden waardoor het voor mij prima te doen was en ik ook nog het idee had dat ik geaccepteerd werd. De vraag is of dit helemaal goed was, maar dit paste mij. Wat bij jou past, moet je zelf ondervinden.

 

Ik wist dat er discussies liepen over dat er misschien eens een keer een vrouw aangenomen moest worden. Dit maakt je dan wellicht een excuustruus in eerste instantie, maar dan denk ik: nou en? Ik heb gewoon laten zien dat ik goed ben.  Dit heeft te maken met de discussie over quota waarbij je vrouwen moet aannemen waar dan het argument van kwaliteitsbehoud wordt gebruikt als tegenargument. Maar als zo’n quotum er is en het blijkt gewoon dat er kwaliteit geleverd wordt, is het dan erg? Vooral als het wel een sneeuwbaleffect van verandering teweeg gaat brengen, is het dan een probleem?

 

U kleedt zich vrij vrouwelijk, altijd als ik u zie draagt u pumps, maar heeft u zich ooit beperkt gevoeld in uw vrouwelijkheid qua kledingkeuze of heeft u daar ooit negatieve opmerkingen over gekregen?

Mijn moeder droeg altijd hakken, dat vond ik er mooi uit zien en toen ben ik vanaf dat het mocht, ongeveer mijn zestiende, ook hakken gaan dragen. Ik heb mij nooit minder serieus genomen of belemmerd gevoeld door het dragen van hakken of een vrouwelijke stijl. Ik heb nooit negatieve reacties gehad, maar ik heb mij er misschien ook vooral nooit iets van aangetrokken. Ik denk gewoon: ik draag hakken, punt. Het maakt uiteindelijk ook niet uit, want als je daar de enige vrouw bent dan ben je toch al anders. Iedereen die zich vrouwelijk zou willen kleden of op hakken wil lopen moet dat vooral doen, ook coassistenten. Als dat je dan een outsider maakt, dan ben je maar een outsider, 'so what'? Of dan ben je juist een voorbeeld, zo kan je het ook zien. Er gaat ook een witte jas overheen, hoe ingewikkeld is het dan om gewoon mooie schoenen aan te hebben. Het werd uiteindelijk ook een beetje een geintje binnen de neurochirurgie: ik geef vrouwelijke ANIOSen een pluim als ze hakken dragen. Het enige onhandige is wel dat je er goed op moet kunnen lopen en dat je vooral geen nieuwe schoenen aan moet doen naar de afdeling, want dan krijg je blaren. 

 

U vertelde dat u een groep genaamd de stiletto’s wilde oprichten, waar was dit initiatief voor?

We waren op een bepaald moment met een paar vrouwelijke specialisten in het VUmc aan het kijken hoe we ‘Dress Red Day’ vorm konden geven. We waren met een clubje vrouwelijke specialisten en toen als geintje zeiden we laten we kijken of we ‘de stiletto’s’ op kunnen richten. We maakten altijd grapjes over hakken en dergelijke. Die groep is een tijdje bezig geweest met het man-vrouwverschil binnen de zorg aan te kaarten, zoals binnen onderzoek of het voorschrijven van medicatie. Waarom worden er bijvoorbeeld altijd mannelijke proefdieren gebruikt en worden fase 1 studies vaak enkel op jonge mannelijke vrijwilligers uitgevoerd? In hoeverre is die hele onderzoeksketen dan van toepassing op vrouwen als het medicament op de markt wordt gebracht? Dat soort bewustwording wilden we graag creëren. De groep is op een duur een beetje uit elkaar gevallen. 

 

Wij heten natuurlijk Dokters Op Hakken en daar hebben mensen soms kritiek op omdat ‘op hakken’ volgens hen bijdraagt aan de stereotypering van de vrouw, hoe denkt u hierover?

Je kunt ook zeggen dat het juist een term is die kracht uitstraalt.

 

TOT SLOT

Wat ben ik vergeten te bespreken wat wel belangrijk is voor de lezers?

Er is zoveel druk van buitenaf op de nieuwe generatie om te gaan met moeilijke en stressvolle situaties. Je moet je kunnen aanpassen aan veranderende dingen zoals deze pandemie die de vaste routine onder je vandaan slaat. Ik vind dat de huidige generatie kwetsbaar is en ik zou heel graag een manier vinden om dat te verbeteren, maar ik weet niet hoe. Als je met Dokters op Hakken hieraan bij kunt dragen heb je wat mij betreft al iets verbeterd.

 

Meer horen van Saskia Peerdeman? Luister hier naar haar interview in de DURA podcast over neurochirurgen.

Reactie schrijven

Commentaren: 0